Archive for June, 2008

No Comments »

LBham Modelformulieren en Stemdistricten

Thursday, June 12th, 2008

LANDSBESLUIT, houdende algemene maatregelen, tot vaststelling van modelformulieren en stemdistricten ter uitvoering van de Kiesverordening (A.B. 1987, 110)

 

Citeertitel:   Kiesbesluit

 

Vindplaats : AB 1987 no. 115

 

Wijzigingen: AB 1988 no. 149; AB 1992 no. 105; AB 1992 no. 118; AB 1997 no. 63; AB 2001 no. 116

 

===============================================

 

                                           § 1. De modellen

 

                                                 Artikel 1

 

1. Voor de kaart van het kiezersregister, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Kiesverordening (A.B. 1987, 110), wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende model I.

2. De kaart is vervaardigd van karton, in de kleur groen.

3. De kaart wordt kiezerskaart genoemd.

 

                                                 Artikel 2

 

Voor het verzoekschrift, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Kiesverordening, wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende model II.

 

                                                 Artikel 3

 

Voor de kandidatenlijst, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Kiesverordening, wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende model III.

 

                                                 Artikel 4

 

Voor de schriftelijke verklaring van bewilliging in de kandidaatstelling, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder a, van de Kiesverordening, wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende model IV.

 

                                                 Artikel 5

 

Voor de schriftelijke verklaring van ontvangst van de waarborgsom, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Kiesverordening, wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende model V.

 

                                                 Artikel 6

 

1. Voor de kaart tot oproeping voor de stemming, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Kiesverordening, wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende model VI.

2. De kaart is vervaardigd van karton, in de kleur chamois.

3. De kaart wordt oproepingskaart genoemd.

 

                                                 Artikel 7

 

Voor de lijst houdende het afschrift van of het uittreksel uit het kiezersregister, bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a, van de Kiesverordening, wordt vastgesteld  het bij dit Landsbesluit behorende model VII.

 

                                                 Artikel 8

 

Voor de staat van inlichtingen, bedoeld in artikel 49, zesde lid, van de Kiesverordening, wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende model VIII.

 

                                                 Artikel 9

 

Voor het stembiljet, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Kiesverordening, wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende model IX.

 

                                                Artikel 10

 

1. Voor het proces‑verbaal van de zitting van een stembureau, bedoeld in artikel 68, tweede lid, van de Kiesverordening, wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende model X‑a.

2. Voor het proces‑verbaal van de zitting van een stembureau, bedoeld in artikel 80, eerste lid, van de Kiesverordening, wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende model X‑b.

 

                                                Artikel 11

 

1. Voor het proces‑verbaal van de zitting van het hoofdstembureau, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Kiesverordening, wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende model XI‑a.

2. Voor het proces‑verbaal van de zitting van het hoofdstembureau, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Kiesverordening, wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende model XI‑b.

3. Voor het proces‑verbaal van de zitting van het hoofdstembureau, bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Kiesverordening, wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende model XI‑c.

4. Voor het proces‑verbaal van de zitting van het hoofdstembureau, bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de Kiesverordening, wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende model XI‑d.

5. Voor het proces‑verbaal van de zitting van het hoofdstembureau, bedoeld in artikel 100 van de Kiesverordening, wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende model XI‑e.

6. Voor het proces‑verbaal van de zitting van het hoofdstembureau, bedoeld in artikel 112, eerste lid, van de Kiesverordening, wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende model XI‑f.

 

                                                Artikel 12

 

1. Voor het proces‑verbaal, op te maken in het geval, bedoeld in artikel 89, eerste lid, van de Kiesverordening, wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende modellen XII‑a.

2. Voor de processen‑verbaal, op te maken in de gevallen, bedoeld in artikel 89, tweede lid, van de Kiesverordening, worden vastgesteld de bij dit landsbesluit behorende modellen XII‑b, respectievelijk XII‑c.

3. Voor het proces‑verbaal, op te maken in het geval, bedoeld in artikel 89, derde lid, van de Kiesverordening, wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende model XII‑d.

4. Voor het proces‑verbaal, op te maken in het geval, bedoeld in artikel 89, vierde lid, van de Kiesverordening, wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende model XII‑e.

 

                                                Artikel 13

 

Voor het besluit van het hoofdstembureau, bedoeld in artikel 90 van de Kiesverordening, wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende model XIII.

 

                                                Artikel 14

 

1. Voor het besluit van de voorzitter van het hoofdstembureau, bedoeld in artikel 113 van de Kiesverordening, wordt vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende model XIV‑a.

2. Voor de besluiten van de voorzitter van het hoofdstembureau, bedoeld in artikel 114 van de Kiesverordening, worden vastgesteld het bij dit landsbesluit behorende modellen XIV‑b, onderscheidenlijk XIV‑c.

 

                               §2. De verdeling in stemdistricten

 

                                                Artikel 15

 

Het land is verdeeld in stemdistricten overeenkomstig de bij dit landsbesluit behorende bijlage XV.

 

                                                Artikel 16

                                               (vervallen)

 

                             § 3. De uitoefening van het kiesrecht

                               door personen aan wie rechtmatig

                                     hun vrijheid is ontnomen

 

 

 

                                                Artikel 17

 

Deze paragraaf is niet van toepassing indien bij de stemming gebruik wordt gemaakt van een of meer stemmachines.

 

                                                Artikel 18

 

1. In afwijking van artikel 33, derde lid, van de Kiesverordening kunnen personen aan wie rechtmatig hun vrijheid is ontnomen stemmen in het bijzonder stemlokaal ter plaatse waar zij zijn gedetineerd.

2. Er is een bijzonder stemlokaal:

a.  in het Correctie Instituut van Aruba;

b.  in de politiewacht te Oranjestad;

c.   in de politiewacht te San Nicolaas.

3. Het hoofd van het Bureau Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister wijst na overleg met de leiding van de in het tweede lid genoemde inrichtingen belaste ambtenaren in elk van die inrichtingen een als bijzonder stemlokaal geschikte ruimte aan.

 

                                                Artikel 19

 

1. In de bijzondere zittingslokalen wordt zitting gehouden door het bijzonder stembureau.

2. Het bijzonder stembureau bestaat uit drie leden. Er worden geen plaatsvervangende leden benoemd.

 

                                                Artikel 20

 

Voor zover uit deze paragraaf niet anders voortvloeit, zijn op de stemming in de bijzondere stemlokalen, de inrichting van de bijzondere stemlokalen, alsmede op de samenstelling, de bevoegdheden en de werkwijze van het bijzonder stembureau de te dier zake bij of krachtens de Kiesverordening gestelde voorschriften ten aanzien van de stemlokalen en stembureaus in de stemdistricten van overeenkomstige toepassing.

 

                                                Artikel 21

 

    1. De stemming in de bijzondere stemlokalen heeft plaats gedurende de periode dat het bijzonder stembureau ter plaatse zitting houdt.

     2. Het bijzonder stembureau houdt op de dag der stemming in de periode gelegen tussen des voormiddags acht uur en des middags twaalf uur zitting:

a.  in het Correctie Instituut van Aruba, gedurende ten minste één uur;

b.  in de politiewacht te Oranjestad, gedurende ten minste 20 minuten;

c.   in de politiewacht te San Nicolaas, gedurende ten minste 20 minuten.

    3. De met de leiding van de in het tweede lid genoemde inrichtingen belaste ambtenaren zijn verplicht de gedetineerde die bevoegd is aan de stemming deel te nemen, in de gelegenheid te stellen in het bijzonder stemlokaal zijn stem uit te brengen.

 

                                                Artikel 22

 

    In afwijking van artikel 48, eerste lid, van de Kiesverordening bevindt zich in het bijzonder stemlokaal geen stembus.

 

                                                Artikel 23

 

    1. In plaats van het in artikel 46, eerste lid, onderdeel a, van de Kiesverordening genoemde afschrift of uittreksel ligt op de tafel van het bijzonder stembureau een afschrift of uittreksel van het kiezersregister, bevattende een opgave van alle kiezers die bevoegd zijn om aan de stemming deel te nemen.

    2. Voorts ligt op de tafel een aantal ledige enveloppen, overeenkomend met het geschatte aantal kiezers dat in het bijzonder stemlokaal aan de stemming zal deelnemen, vermeerderd met een factor van 10 ten 100 en van een formaat voldoende groot om een op de wettelijk voorgeschreven dichtgevouwen stembiljet, alsmede een oproepingskaart te bevatten.

        3. Het formaat van de enveloppen, alsmede het aantal dat in elk der bijzondere stemlokalen aanwezig moet zijn wordt vastgesteld door het hoofd van het Bureau Burgerlijke Stand en Bevolkingsregistratie; deze draagt er tevens zorg voor, dat in ieder der bijzondere stemlokalen het vastgestelde aantal enveloppen in een verzegeld pak aanwezig is.

 

                                                Artikel 24

 

    1. Het hoofd van het Bureau Burgerlijke Stand en Bevolkingsregistratie stelt in aanvulling op het aantal krachtens artikel 51, eerste lid, van de Kiesverordening vastgestelde stembiljetten, het in elk der bijzondere stemlokalen benodigde aantal stembiljetten vast. Dit aantal dient overeen te stemmen met het geschatte aantal kiezers, dat in het bijzondere stemlokaal aan de stemming zal deelnemen, vermeerderd met een factor van 20 ten 100.

    2. Het in het eerste lid genoemde hoofd draagt zorg, dat vóór de aanvang der stemming op elk stembureau het benodigde aantal stembiljetten in een verzegeld pak aanwezig is.

 

                                                Artikel 25

 

    1. Nadat de voorzitter van het bijzonder stembureau de zitting in het bijzondere stemlokaal heeft geopend worden de kiezers tot het bijzondere stemlokaal toegelaten.

    2. In afwijking van artikel 65, eerste lid, van de Kiesverordening is de toegang tot het bijzondere stemlokaal onderworpen aan de door de met de leiding van de inrichting belaste ambtenaar vastgestelde beperkingen, verband houdende met de bijzondere aard van de inrichting.

 

 

 

                                                Artikel 26

 

    In afwijking van artikel 59 van de Kiesverordening kan legitimatie van de kiezer bij ontbreken van een officieel identiteitsbewijs tevens plaatsvinden door vaststelling van diens identiteit door of namens de met de leiding van de inrichting belaste ambtenaar.

 

                                                Artikel 27

 

    1. De kiezer overhandigt aan de voorzitter van het bijzonder stembureau de oproepingskaart.

    2. De voorzitter noemt duidelijk verstaanbaar het nummer waaronder de kiezer volgens de oproepingskaart in het kiezersregister voorkomt, alsmede het nummer van het stemdistrict waar deze is geregistreerd.

    3. De voorzitter vermeldt op een der enveloppen, bedoeld in artikel 23, tweede en derde lid, het nummer van het stemdistrict waar de kiezer is geregistreerd en voorziet deze vermelding van zijn paraaf.

     4. Vervolgens  overhandigt  de  voorzitter aan de kiezer een stembiljet, dat zodanig is dichtgevouwen, dat de handtekening van de voorzitter van het hoofdstembureau zichtbaar is.

     5. De voorzitter houdt aantekening van het aantal uitgereikte stembiljetten, alsmede van het aantal kiezers dat weigert een stembiljet in ontvangst te nemen.

     6. Het bijzonder stembureau is bevoegd om overeenkomstig artikel 38, vierde lid, van de Kiesverordening aan de kiezer een nieuwe oproepingskaart uit te reiken.

 

                                                Artikel 28

 

     1. Nadat de kiezer overeenkomstig artikel 61, eerste en tweede lid, van de Kiesverordening heeft gestemd en het stembiljet heeft dichtgevouwen, begeeft hij zich onmiddellijk met het stembiljet naar de voorzitter van het bijzonder stembureau.

     2. De voorzitter van het bijzonder stembureau doet de kiezer het stembiljet in de envelop, bedoeld in artikel 27, derde lid, steken. Hij overtuigt zich, zonder het stembiljet in handen te nemen, dat dit de handtekening van de voorzitter van het hoofdstembureau draagt.

    3. Vervolgens voegt de voorzitter de oproepingskaart van de kiezer bij het stembiljet in de envelop en sluit en verzegelt deze.

    4. Het derde lid van het bijzonder stembureau houdt aantekening van het aantal verzegelde enveloppen.

 

                                                Artikel 29

 

    1. De kiezer die na waarschuwing de wettelijke voorschriften omtrent de stemming niet opvolgt, wordt niet de gelegenheid geboden zijn stembiljet in de envelop te steken en is verplicht het stembiljet, zo hem dit reeds overhandigd is, terug te geven.

2. De kiezer die, hoewel daartoe de gelegenheid geboden, weigert het stembiljet in de envelop te steken, is verplicht dit terug te geven.

3. Artikel 62, tweede lid, van de Kiesverordening is van toepassing.

4. Weigert een kiezer het stembiljet terug te geven dan houdt de voorzitter daarvan aantekening met vermelding van de naam en het nummer, zoals deze op de oproepingskaart voorkomen.

 

                                                Artikel 30

 

1. Nadat de voorzitter met inachtneming van artikel 21, tweede lid, de zitting van het bijzonder stembureau heeft gesloten, worden alleen de zich op dat ogenblik in of aan de deur van het stemlokaal of in een ten behoeve van de stemming door de met de leiding van de inrichting belaste ambtenaar aangewezen wachtruimte bevindende kiezers nog tot de stemming toegelaten.

2. Onmiddellijk nadat de stemming in het bijzondere stemlokaal is geëindigd worden door het bijzonder stembureau in afzonderlijke verzegelde pakken ingepakt:

a.  de niet gebruikte stembiljetten;

b.  de teruggegeven en onbruikbaar gemaakte stembiljetten;

c.   de niet gebruikte enveloppen.

3. Vervolgens wordt van de werkzaamheden van het bijzonder stembureau in het bijzondere stemlokaal proces-verbaal opgemaakt overeenkomstig het bij dit landsbesluit behorende model X-c. Het proces-verbaal wordt door alle leden van het bijzonder stembureau getekend.

4. Met medeneming van de in het tweede lid genoemde pakken, het proces-verbaal, alsmede van de verzegelde enveloppen, bevattende de ingevulde stembiljetten en de oproepingskaarten, begeeft het bijzonder stembureau zich vervolgens naar het volgende bijzondere stemlokaal.

 

                                                Artikel 31

 

Nadat de stemming in alle bijzondere stemlokalen is geëindigd, rangschikt de voorzitter van het bijzonder stembureau de verzegelde enveloppen, bevattende de ingevulde stembiljetten en de oproepingskaarten, naar stemdistrict en sluit deze in een voor elk stemdistrict afzonderlijk te verzegelen pak. De voorzitter vermeldt op elk pak het nummer van het betrokken stemdistrict en voorziet deze vermelding van zijn paraaf.

 

                                                Artikel 32

 

1. Vóór des namiddags zeven uur worden de verzegelde pakken, bedoeld in artikel 31, door het bijzonder stembureau naar de desbetreffende stembureaus gebracht.

2. De voorzitter van het bijzonder stembureau overhandigt het pak aan de voorzitter van het stembureau.

3. De voorzitter van het stembureau opent het pak.

4. Vervolgens opent de voorzitter van het stembureau een verzegelde envelop en neemt daaruit de oproepingskaart en het ingevulde stembiljet.

5. De voorzitter van het stembureau noemt duidelijk verstaanbaar het nummer waaronder de kiezer volgens de oproepingskaart in het afschrift van of uittreksel uit het Kiezersregister voorkomt.

6. Het tweede lid van het stembureau noemt de naam die in het afschrift van of uittreksel uit het Kiezersregister bij het door de voorzitter van het stembureau genoemde nummer is vermeld. De voorzitter van het stembureau controleert de naam aan de hand van de oproepingskaart.


7. Indien de naam en het nummer op de oproepingskaart overeenstemt met de naam en het nummer in het afschrift of het uittreksel uit het kiezersregister, wordt zulks gelijkgesteld met een melding van de kiezer bij het stembureau en wordt daarvan overeenkomstig artikel 60, vierde lid, van de Kiesverordening aantekening gemaakt.

8. Vervolgens steekt de voorzitter van het stembureau het stembiljet in de stembus.

9. Indien het op de verzegelde envelop vermelde nummer van het stemdistrict niet overeenkomt met het nummer van het stemdistrict waar de kiezer volgens de oproepingskaart is geregistreerd, worden het stembiljet en de oproepingskaart door de voorzitter van het stembureau wederom in de envelop gesloten en wordt de envelop wederom verzegeld. De voorzitter van het stembureau haalt de onjuiste vermelding op de envelop door en voorziet deze van het juiste nummer van het stemdistrict en van zijn paraaf. Vervolgens overhandigt hij de verzegelde envelop aan de voorzitter van het bijzonder stembureau. Het bijzonder stembureau brengt de verzegelde envelop tijdig naar het juiste stembureau. Aldaar wordt zoveel mogelijk gehandeld overeenkomstig het eerste tot en met het achtste lid.

 

                                                Artikel 33

 

Nadat het bijzonder stembureau de verzegelde pakken, bedoeld in artikel 31, naar de stembureaus heeft gebracht, worden de processen-verbaal bedoeld in artikel 30, derde lid, te zamen met de verzegelde pakken, bedoeld in artikel 30, tweede lid, door de voorzitter of een door deze aan te wijzen lid van het bijzonder  stembureau  naar  de  voorzitter van het hoofdstembureau overgebracht.

 

                                         §4. Slotbepalingen

 

                                                Artikel 34

 

1. Dit landsbesluit treedt in werking met ingang van de dag na die van zijn plaatsing in het Afkondigingsblad van Aruba.

2. Het kan worden aangehaald als Kiesbesluit.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

BIJLAGEN BEHORENDE

BIJ HET

KIESBESLUIT

                                                                                               BIJLAGE I

 

                                              Kiezerskaart

 

 

 

 

 

 

 

 

NAAM…………………………………….

 

 

VOORNAMEN……………………………

 

 

GEBOORTEDATUM……………………..

 

 

GEBOORTEPLAATS…………………….

 

 

ADRES…………………………………..

 

 

              Nummer van het

                  stemdistrict

 

 

 

 

 

 

 

              Waarmerking der

                  wijzigingen

 

 

 

 

 

 

 

              AANTEKENINGEN

 

 

 

 

 

 

 

 


                                                                                              BIJLAGE II

 

                              Verzoek verbetering kiezersregister

 

 

Aan de heer Rechter in het gerecht in eerste aanleg van Aruba…………………

Ondergetekende 1)………………………………………………………………………

geboren te. . . . . . . . . . . . .de……………………………………………………….

wonende in………………………………………………………………………………..

aan het adres…………………………………………………………………………….

verzoekt hierbij aanvulling verbetering van het ingevolge artikel 7 van de Kiesverordening bijgehouden kiezersregister, in verband met het volgende.

-*  dat immers  verzoekerverzoekster

-*  . . . . . . . .1)

geboren te . . . . . . . . . . . de…………………………………………………………

wonende in ……………………………………………………………………………….

aan het adres ……………………………………………………………………………

hoewel

-*  kiezer ingevolge artikel 3 van de kiesverordening en niet van de uitoefening van het kiesrecht uitgesloten ingevolge artikel 4 van de Kiesverordening, niet in het kiezersregister is opgenomen;

-*  hoewel geen kiezer ingevolge artikel 3 van de Kiesverordening niettemin in het kiezersregister is opgenomen;

-*  hoewel van de uitoefening van het kiesrecht uitgesloten ingevolge artikel 4 van de Kiesverordening, niettemin in het kiezersregister is opgenomen.

dat ter staving van het vorenstaande

……………………………………………………………………………………………..

……………………………………………………………………………………………..

……………………………………………………………………………………………..

                                  1)……………………………………………………………..

                                  2)……………………………………………………………..

 

*) doorhalen hetgeen niet van toepassing is.

1) naam en voornamen voluit

2) dagtekening

3) handtekening


                                                                                             BIJLAGE III

 

                                            Kandidatenlijst

 

Kandidatenlijst voor de op …………………………………………………………….

te houden stemming ter verkiezing van de leden van de Staten, ingeleverd door

wonende in ……………………………………………………………………………….

aan het adres ……………………………………………………………………………

 

 

Nr.

 

Naam 1)

 

    Voorletters

  of voornamen

 

  Datum van

   geboorte

 

   Woonplaats

      en adres

 

1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5

 

enz. (zie artikel 18, derde lid)

 

 

De ondergetekenden, kiezers, bevoegd tot het deelnemen aan de verkiezing van de leden van de Staten, verklaren, dat zij

-*  bovengenoemde personen, in de volgorde waarin zij op de lijst zijn geplaatst,

-*  bovengenoemde persoon

kandidaat stellen.

 

 

Nr.

 

Hand-

tekeningen

van de kiezers

 

Voorletters

en namen

van de kiezers

 

 

           Adres

 

1

 

 

 

 

 

 

 

2

 

 

 

 

 

 

 

3

 

 

 

 

 

 

 

4

 

 

 

 

 

 

 

5

 

enz. 2)

 

 

 

 

Bij deze lijst worden overgelegd:

a)  de verklaringen van bewilliging van iedere kandidaat te stellen op vastgestelde formulieren (indien de kandidaat zich buiten Aruba bevindt, is deze verklaring niet aan enig formulier gebonden en kan zij ook telegrafisch geschieden);

b)  een schriftelijke verklaring, dat een bedrag van f. 1000,– ingevolge artikel 20 van de Kiesverordening is gestort ten kantore van de Ontvanger der belastingen;

c)  een foto van 4 bij 5 cm. van de hoogst geplaatste kandidaat;

d)  een schriftelijke opgave van de nadere aanduiding (afkorting) van de naam van de politieke groepering.

 

1)  Indien de kandidaat een gehuwde vrouw of weduwe is, wordt zij op deze lijst vermeld met de naam van haar echtgenoot of overleden echtgenoot onder toevoeging van haar eigen naam, voorafgegaan door het woord “geboren” of een afkorting van dit woord.

2)  Het minimum vereist aantal ondertekeningen bedraagt 25 (zie artikel 17)


                                                                                             BIJLAGE IV

 

                    Verklaring van bewilliging in de kandidaatstelling

 

De ondergetekende…………………………………………………………………… 1)

wonende in ……………………………………………………………………………….

1.   Dat het hemhaar bekend is, dat hijzij voorkomt op de volgende lijst van kandidaten voor de op

te houden stemming ter verkiezing van de leden van de Staten

 

             Naam

 

       Voorletters of

         voornamen

 

         Woonplaats

 

1

 

 

 

 

 

2

 

 

 

 

 

3

 

 

 

 

 

4

 

 

 

 

 

5

 

 

 

 

 

enz.

 

 

 

 

 

2.   dat hijzij bewilligt in zijnhaar kandidaatstelling op die lijst

 

                                           3)……………………………………………………..

 

                                           4)……………………………………………………..

 

 

 

 

 

 

 

 

1)  naam en voorletters of voornamen

2)  woonplaats en adres

3)  dagtekening

4)  handtekening


                                                                                              BIJLAGE V

 

                 Verklaring betreffende ontvangst van de waarborgsom

 

De ondergetekende, ontvanger der belastingen, verklaart, dat op heden . . . . . . . . . . . . . op . . een bedrag van eenduizend florin (f. 1.000,–) ingevolge het bepaalde in artikel 20 van de Kiesverordening is gestort door 1)…………………………………………..

wonende in 2)…………………………………………………………………………….

op naam van 1)…………………………………………………………………………..

wonende te 2)…………………………………………………………………………….

van wie de naam voorkomt in het kiezersregister, in verband met de verkiezing van de leden van de Staten, waarvoor de stemming zal plaats hebben op …………….

                                                                  De Ontvanger der belastingen,

                                                                               3). . . . . . . . . . . . . .

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1)  naam en voorletters

2)  woonplaats en adres

3)  handtekening


                                                                                             BIJLAGE VI

 

                                           Oproepingskaart

 

Oproeping voor de stemming ter verkiezing van de leden van de Staten van Aruba

No.

__________

1)……………………………………………………………………………………………

2)……………………………………………………………………………………………

3)……………………………………………………………………………………………

4)……………………………………………………………………………………………

Stemdistrict :

Stembureau     :

Zitting         : 8 a.m. – 7 p.m.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1)  naam

2)  voornamen

3)  geboortedatum en geboorteplaats

4)  adres


                                                                                            BIJLAGE VII

 

                   Lijst voor het afschrift van of het uittreksel uit het

                                            kiezersregister

 

 

Volg-

nummer

 

Naam en voornamen

 

Datum en

jaar van

geboorte

 

Plaats

van

geboorte

 

     Adres

 

Paraaf

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


                                                                                           BIJLAGE VIII

 

                                    Inlichtingen voor de kiezer

 

De kiezer stemt door met potlood rood te maken een (en niet meer dan een) wit stipje, geplaatst in het stemvak voor de naam van de kandidaat van zijn of haar keuzen.

 

Wanneer de kiezer zich bij het invullen van het stembiljet vergist, geeft hij of zij dit aan de voorzitter terug.

Deze verstrekt hem of haar op zijn of haar verzoek eenmaal een nieuw biljet.

 

De kiezer mag in het stemhokje niet langer vertoeven dan nodig is om zijn of haar stembiljet in te vullen.

 

De kiezer vouwt het biljet op zodanige wijze dicht, dat de namen van de kandidaten niet zichtbaar zijn en begeeft zich daarmede terstond naar het stembureaulid, gezeten in de onmiddellijke nabijheid van de stembus. De kiezer toont – alvorens het stembiljet in de stembus te steken – aan dit stembureaulid de buitenzijde van het stembiljet waarop de handtekening van de voorzitter van het hoofstembureau voorkomt.

 

Van onwaarde zijn de stembiljetten:

-    waarop in geen stemvak het witte stipje rood is gemaakt;

-    waarop in meer dan een stemvak het witte stipje rood is gemaakt;

-    waarop de kiezer zijn of haar stem heeft uitgebracht anders dan met rood potlood;

-    waarop bijvoegingen geplaatst zijn of die een aanduiding van de kiezer bevatten;

-    die, welke aan de achterzijde niet voorzien zijn van de handtekening van de voorzitter van het hoofdstembureau.

 

Onder bijvoegingen worden niet begrepen punten, strepen, vlakken, nagelindrukken, vouwen, scheuren, gaten en vlekken.

 

 


(Voorzijde)                                                                              BIJLAGE IX

                                              STEMBILJET

STEMBILJET voor de stemming ter verkiezing van de leden van de Staten van Aruba op . . . . . . . . . . dag . . . . . . . . . .19 . .

 

1) enz

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                    LIJSTEN VAN KANDIDATEN

2) enz.3) enz.

1 Comment »

Constitucion (Staatsregeling) Aruba

Wednesday, June 4th, 2008

Staatsregeling van Aruba

 

Citeertitel: Staatsregeling van Aruba

 

Vindplaats : AB 1987 no. GT 1

 

Wijzigingen: Geen

 

====================================================================

 

 

                    Hoofdstuk I: Grondrechten

 

Allen die zich in Aruba bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, kleur, taal, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, of op welke grond dan ook is niet toegestaan.

 

                           Artikel I.2

 

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

 

                           Artikel I.3

 

Een ieder heeft, behoudens bij of krachtens landsverordening te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

 

                           Artikel I.4

 

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

 

                           Artikel I.5

 

1. Een ieder heeft op persoonlijk vrijheid en veiligheid. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, dan volgens bij of krachtens landsverordening te stellen regels in geval van:

a. rechtmatige gevangenishouding na veroordeling door een daartoe bevoegde rechters;

b. rechtmatige arrestatie of gevangenishouding, wegens weigering een overeenkomstig een wettelijke regeling door een rechter gegeven bevel op te volgen of ten einde de nakoming van een door een wettelijke regeling voorgeschreven uitdrukkelijke verplichting te verzekeren;

c. rechtmatige arrestatie of gevangenhouding teneinde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer er redelijke gronden zijn om te vermoeden, dat hij een strafbaar feit heeft begaan, of indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen, dat het noodzakelijk is hem te beletten:

een strafbaar feit te begaan;

te ontvluchten, nadat hij een strafbaar feit heeft begaan;

het strafrechtelijk onderzoek in gevaar te brengen;


d. rechtmatige gevangenishouding van een minderjarige met het doel in te grijpen in zijn opvoeding of, in het geval van zijn rechtmatige gevangenhouding, ten einde hem voor het bevoegde gezag te geleiden;

f. rechtmatige gevangenhouding van personen ten einde hen te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of indien tegen hen een uitwijzigings‑ of uitleveringsprocedure hangende is.

2. Een ieder, die gearresteerd is of gevangen wordt gehouden, overeenkomstig lid 1, onder c, van dit artikel, moet onverwijld voor een rechter worden geleid of voor een andere autoriteit die bij landsverordening bevoegd verklaard is om rechterlijke macht uit te oefenen, en heeft het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden, of hangende het proces, in vrijheid te worden gesteld.

3. Een ieder die zijn vrijheid is ontnomen, heeft het recht:

a. voorziening te vragen bij de rechter, opdat deze op korte termijn beslist over de rechtmatigheid van zijn vrijheidsontneming en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de vrijheidsontneming onrechtmatig is;

b. onverwijld in een taal welke hij verstaat, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van zijn vrijheidsontneming, van zijn recht om zich te onthouden van antwoorden en van zijn bevoegdheid zich te doen bijstaan door een advocaat.

4. Een ieder die het slachtoffer is geweest van een vrijheidsontneming in strijd met de bepalingen van dit artikel, heeft recht op schadeloosstelling.

5. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten, voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdragen.

 

                           Artikel I.6

 

1. Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

2. Een ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, wordt voor onschuldig gehouden, totdat zijn schuld volgens de landsverordening bewezen wordt.

3. Een ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft de volgende rechten:

a. onverwijld in een taal welke hij verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen, van zijn recht om zich te onthouden van antwoorden en van zijn bevoegdheid zich te doen bijstaan door een advocaat;

b. te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten ter voorbereiding van zijn verdediging;

c. zich zelf te verdedigen;

d. de getuigen à charge te ondervragen of doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à decharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuige à charge.

 

                            Artikel I.7

 

1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.


2. Bij landsverordening worden regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen gesteld.

 

 

                           Artikel I.8

 

Een ieder die zich rechtmatig op het grondgebied van Aruba bevindt, heeft het recht zich daar vrijelijk te bewegen, te verblijven en zijn woonstede te kiezen, behoudens bij of krachtens landsverordening te stellen beperkingen.

 

                           Artikel I.9

 

Bij landsverordening wordt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen geregeld.

 

                           Artikel I.10

 

Iedere in Aruba woonachtige Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen, alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij landsverordening gestelde uitzonderingen.

 

                           Artikel I.11

 

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij landsverordening kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

 

                           Artikel I.12

 

1. Ieder heeft het recht zonder voorafgaand verlof door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren of inlichtingen door te geven, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens landsverordening.

2. Bij landsverordening kunnen radio‑ of televisieuitzendingen aan vergunningen worden onderworpen in het belang van een verantwoord gebruik van de ether of in het belang van een pluriforme omroep. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio‑ of televisieuitzending.

3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens of het doorgeven van inlichtingen door andere dan in de voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens landsverordening. Bij landsverordening kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar, ter bescherming van de goede zeden worden geregeld.

4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

5. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om inlichtingen te garen of te ontvangen, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens landsverordening. Bij of krachtens landsverordening kan het recht om inlichtingen te garen worden beperkt.

 

                           Artikel I.13

 


1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens landsverordening.

2. Bij landsverordening kan dit recht beperkt worden ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

 

                           Artikel I.14

 

1. Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

2. Personen die niet schrijven kunnen, mogen verzoekschriften indienen door tussenkomst van ambtenaren die hiertoe bij landsverordening bevoegd zijn verklaard.

 

                           Artikel I.15

 

1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens landsverordening.

2. Bij landsverordening kan de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen worden beperkt ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

 

                           Artikel I.16

 

1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens landsverordening te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.

2. Bij landsverordening worden regels gesteld ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.

3. Bij landsverordening worden regels gesteld inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgestelde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

 

                           Artikel I.17

 

1. Het binnentreden in een woning zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen, bij landsverordening bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens landsverordening zijn aangewezen, en tevens met een bijzondere schriftelijke machtiging daartoe van een rechterlijke autoriteit.

2. Voor het binnentreden overeenkomstig het voorgaande lid is voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist. Aan de bewoner wordt binnen 2 x 24 uur een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Aan de bewoner wordt onmiddellijk een afschrift van de machtiging verstrekt.

3. Bij landsverordening kunnen op het bepaalde in het eerste lid over de machtiging en op het bepaalde in het tweede lid uitzonderingen worden gemaakt.

 

                           Artikel I.18

 

1. Het briefgeheim is onschendbaar behalve, in de gevallen bij landsverordening bepaald, door of met machtiging van de rechter.

2. Het telefoon‑ en telegraafgeheim is onschendbaar behalve, in de gevallen bij landsverordening bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij landsverordening zijn aangewezen.

 

                           Artikel I.19

 

1. Een ieder heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom, behoudens bij of krachtens landsverordening in het algemeen belang te stellen beperkingen.

2. Aan niemand kan zijn eigendom worden ontnomen, dan nadat bij landsverordening verklaard is, dat het algemeen nut de onteigening vordert, en tegen vooraf genoten of vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens landsverordening te stellen voorschriften.

3. Wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is, vervalt de in het vorige lid gestelde eis, dat vooraf bij landsverordening verklaard wordt, dat het algemeen nut de onteigening vordert en behoeft evenmin de schadeloosstelling vooraf genoten of vooraf verzekerd te zijn.

4. In de gevallen bij landsverordening bepaald, bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.

 

                           Artikel I.20

 

1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.

2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij landsverordening aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij landsverordening te regelen.

3. Het ontvangen van onderwijs is vrij, behoudens bij landsverordening te stellen beperkingen.

4. Het openbaar onderwijs wordt met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging bij landsverordening geregeld.

5. Er wordt van overheidswege voldoende openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal scholen. Volgens bij landsverordening te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van openbaar algemeen vormend lager onderwijs gelegenheid wordt gegeven.


6. De eisen van deugdelijkheid en toelating, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij landsverordening geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting, met dien verstande dat eisen van toelating niet gesteld kunnen worden aan het algemeen vormend lager onderwijs. Bij die landsverordening wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs, betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers, geëerbiedigd.

7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs dat aan de bij landsverordening te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. Bij landsverordening worden de voorwaarden vastgesteld, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.

8. Bij landsverordening worden regels gesteld omtrent de medezeggenschap van hen die geheel of gedeeltelijk uit de openbare kas bekostigd onderwijs ontvangen, en hun wettelijke vertegenwoordigers.

9. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten.

 

                           Artikel I.21

 

De Staten kunnen een ontwerp‑landsverordening, inhoudende beperkingen van de in dit hoofdstuk genoemde grondrechten, niet goedkeuren of niet besluiten tot voordracht van een zodanige ontwerplandsverordening dan met volstrekte meerderheid der stemmen van het aantal zitting hebbende leden.

 

                           Artikel I.22

 

Wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar zou zijn met de bepalingen van dit hoofdstuk.

 

                      Hoofdstuk II: Regering

 

                           Artikel II.1

 

1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.

2. De Koning wordt vertegenwoordigd door de Gouverneur.

3. De ministers zijn verantwoordelijk aan de Staten.

 

                           Artikel II.2

 

1. De minister‑president en de overige ministers worden in overleg met de Staten bij landsbesluit benoemd en ontslagen.

2. Indien een minister het vertrouwen van de Staten niet langer heeft, stelt hij zijn ambt ter beschikking.

 

                           Artikel II.3

 

1. De ministers moeten de leeftijd van 25 jaren hebben vervuld, de staat van Nederlander bezitten en niet uitgesloten zijn van het kiesrecht.

2. Zij kunnen niet tegelijk zijn:

a. Gouverneur;

b. vervanger van de Gouverneur;

c. lid van de Raad van Advies;

d. lid van de Algemene Rekenkamer;

e. Gevolmachtigde Minister;


f. actief dienend ambtenaar;

g. lid van de Staten;

h. lid van de rechterlijke macht;

i. procureur‑generaal of advocaat‑generaal bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

3. Onverminderd het bepaalde in het voorgaande lid, onder g, kan een minister, tot lid van de Staten gekozen, ten hoogste drie maanden na zijn toelating als lid het ambt van minister en het lidmaatschap van de Staten verenigen.

4. Met ambtenaar, bedoeld in het tweede lid, onder f, worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld zij die als werkman zijn aangesteld, en zij die in dienst van het landsbestuur op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn.

 

                           Artikel II.4

 

Bloedverwantschap tot en met de tweede graad mag niet bestaan tussen de ministers. Echtgenoten kunnen niet tegelijkertijd minister zijn.

 

                           Artikel II.5

 

Bij landsverordening worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

 

                           Artikel II.6

 

1. De ministers vormen tezamen de ministerraad.

2. De ministerraad bestaat uit ten hoogste negen ministers.

3. De minister‑president is voorzitter van de ministerraad.

4. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid ten einde de eenheid van dat beleid te bevorderen.

5. Indien de Gouverneur een vergadering van de ministerraad bijwoont, treedt hij op als voorzitter. Hij heeft alsdan een raadgevende stem.

6. Het reglement van orde voor de ministerraad wordt vastgesteld bij landsbesluit. Het behoeft goedkeuring bij landsverordening.

 

                           Artikel II.7

 

1. Landsverordeningen en landsbesluiten worden door de Gouverneur en door een of meer ministers ondertekend.

2. Het landsbesluit waarbij de aftredende minister‑president wordt ontslagen, en waarbij tevens zijn opvolger wordt benoemd, wordt mede door de laatstgenoemde ondertekend. De landsbesluiten waarbij de overige ministers worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister‑president ondertekend.

 

                           Artikel II.8

 

De ministers leggen, alvorens hun betrekking te aanvaarden, in handen van de Gouverneur de volgende eed (verklaring en belofte) af:


“Ik zweer (verklaar), dat ik, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of wat voorwendsel ook, in verband met het verkrijgen mijner benoeming als minister aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven. Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd enige beloften of geschenken aannemen zal, middellijk of onmiddellijk. Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning en aan het Statuut voor het Koninkrijk; dat ik de Staatsregeling van Aruba steeds zal helpen onderhouden en het welzijn van Aruba naar mijn vermogen zal voorstaan. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig (Dat verklaar en beloof ik)”!

 

                           Artikel II.9

 

De bezoldiging, het pensioen, alsmede overige geldelijke voorzieningen van de ministers en de Gevolmachigde Minister worden bij landsverordening geregeld.

 

                          Artikel II. 10

 

1. De Gevolmachtigde Minister kan niet tegelijk zijn:

a. Gouverneur;

b. vervanger van de Gouverneur;

c. lid van de Raad van Advies;

d. lid van de Algemene Rekenkamer;

e. actief dienend ambtenaar;

f. lid van de Staten;

g. lid van de rechterlijke macht;

h. procureur‑generaal of advocaat‑generaal bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie;

i. minister.

2. Onverminderd het bepaalde in het voorgaande lid, onder f, kan een Gevolmachtigde Minister, tot lid van de Staten gekozen, ten hoogste drie maanden na zijn toelating als lid het ambt van Gevolmachtigde Minister en het lidmaatschap van de Staten verenigen.

3. De voorgaande leden zijn mede van toepassing op de plaatsvervanger van de Gevolmachtigde Minister.

4. De Gevolmachtigde Minister wordt, indien hij in Aruba aanwezig is, in de gelegenheid gesteld de beraadslagingen van de ministerraad ten aanzien van onderwerpen welke tot zijn bemoeienis behoren, bij te wonen. Hij heeft alsdan een raadgevende stem.

 

                      Hoofdstuk III: Staten

 

                          Artikel III.1

 

De Staten vertegenwoordigen het gehele Arubaanse volk.

 

                          Artikel III.2

 

De Staten bestaan uit 21 leden.

 


                          Artikel III.3

 

1. De zittingsduur van de Staten is vier jaren.

2. Het zittingsjaar vangt aan op de tweede dinsdag van september met een uiteenzetting, door of namens de Gouverneur, van het door de regering te voeren beleid in een daartoe belegde vergadering van de Staten.

 

                          Artikel III.4

 

1. De leden van de Staten worden gekozen op grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de landsverordening te stellen grenzen.

2. De verkiezingen zijn vrij en worden gehouden bij geheime stemming.

 

 

                          Artikel III.5

 

1. De leden van de Staten worden rechtsreeks gekozen door de ingezetenen van Aruba, die Nederlander zijn en de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt.

2. Van het kiesrecht is uitgesloten:

a. hij die wegens het begaan van een daartoe bij de landsverordening aangewezen delict bij onherroepelijk rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar, en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht;

b. hij die krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens een geestelijke stoornis onbekwaam is rechtshandelingen te verrichten.

 

                          Artikel III.6

 

1. Om lid van de Staten te kunnen zijn is vereist, dat men ingezetene van Aruba en Nederlander is, de leeftijd van eenentwintig jaren heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

2. Een lid van de Staten kan te allen tijde zijn ontslag nemen door middel van een schriftelijke mededeling aan de regering.

3. Het lidmaatschap der Staten vervalt in ieder geval door een verblijf buiten het land van langer dan acht maanden.

 

                          Artikel III.7

 

1. De leden van de Staten kunnen niet tegelijk zijn:

a. Gouverneur;

b. vervanger van de Gouverneur;

c. lid van de Raad van Advies;

d. lid van de Algemene Rekenkamer;

e. minister;

f. Gevolmachtigde Minister;

g. actief dienend ambtenaar;

h. lid van de rechterlijke macht;

i. procureur‑generaal of advocaat‑generaal bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.


2. De landsverordening kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen, dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten kunnen worden uitgeoefend.

3. De Staten kunnen een zodanige ontwerp‑landsverordening niet goedkeuren of niet besluiten tot voordracht van een zodanige ontwerp-landsverordening dan met twee derden der uitgebrachte stemmen.

 

                          Artikel III.8

 

1. Bloedverwantschap tot en met de tweede graad mag niet bestaan tussen de leden van de Staten. Echtgenoten kunnen niet tegelijkertijd lid van de Staten zijn.

2. Wanneer personen die verkeren in een der gevallen, bedoeld in het eerste lid, tegelijkertijd gekozen worden, wordt alleen toegelaten hij die de meeste stemmen verkreeg, en bij gelijk aantal stemmen de oudste. Indien in laatstbedoeld geval ook de leeftijden gelijk zijn, beslist het lot.

3. Hij die na zin verkiezing komt te verkeren in het geval, bedoeld in de tweede zin van het eerste lid, kan op die grond niet verplicht worden af te treden voor de afloop van zijn tijd van zitting.

 

                          Artikel III.9

 

De Staten onderzoeken de geloofsbrieven van hun nieuwbenoemde leden en beslissen met inachtneming van bij landsverordening te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.

 

                          Artikel III.10

 

1. Alles wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij landsverordening geregeld.

2. Bij landsverordening worden regels gesteld ter bevordering van een evenwichtige en verantwoord verkiezingsverloop.

 

                          Artikel III.11

 

De leden der Staten leggen, alvorens hun betrekking te aanvaarden, in handen van de Gouverneur de volgende eed (verklaring en belofte) af:

“Ik zweer (verklaar), dat ik, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of wat voorwendsel ook, in verband met mijn verkiezing tot lid der Staten, aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven. Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd enige beloften of geschenken zal aannemen, middellijk of onmiddellijk. Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning en aan het Statuut voor het Koninkrijk; dat ik de Staatsregeling van Aruba steeds zal helpen onderhouden en het welzijn van Aruba naar mijn vermogen zal voorstaan. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig (Dat verklaar en beloof ik)!”

 

                          Artikel III.12

 

1. Op een voor ieder afzonderlijk door de Staten in te dienen voordracht van twee leden worden bij landsbesluit de voorzitter en de ondervoorzitter van de Staten benoemd.

2. Zolang zodanige benoeming nog niet heeft plaatsgevonden, treedt als voorzitter op de voor de voorafgaande periode benoemde voorzitter of ondervoorzitter, indien deze deel uitmaakt van de nieuwe Staten, dan wel, bij ontstentenis van zodanige persoon, het lid der nieuwe Staten, dat onder de leden die het langst zitting hebben gehad in het college, het oudste lid is in jaren. Als ook zodanige persoon mocht ontbreken, treedt het oudste lid in jaren als voorzitter op.

3. De Staten benoemen, schorsen en ontslaan hun griffier. Deze kan niet tevens lid van de Staten zijn.

4. Aan de griffier wordt het vereiste aantal ambtenaren in de nodige rangen toegevoegd. Zij kunnen niet tevens lid van de Staten zijn.

 

                          Artikel III.13

 

De bezoldiging, het pensioen, alsmede overige geldelijke voorzieningen van de leden van de Staten worden bij landsverordening geregeld. De Staten kunnen een ontwerp‑landsverordening ter zake alleen goedkeuren met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

 

                          Artikel III.14

 

1. De Staten kunnen bij landsbesluit worden ontbonden.

2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden Staten en tot het samenkomen van de nieuw gekozen Staten binnen drie maanden.

3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen Staten samenkomen.

 

                          Artikel III.15

 

1. De Staten vergaderen in het openbaar.

2. a. De deuren worden gesloten, als de voorzitter het nodig keurt of vier leden het vorderen.

b. De vergadering kan vervolgens niet dan met twee derden der uitgebrachte stemmen besluiten, dat met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.

 

                          Artikel III.16

 

1. De Staten mogen niet beraadslagen noch besluiten, zo niet meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.

2. Besluiten worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen.

3. De leden stemmen zonder last.


4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer een lid dit verlangt.

 

                          Artikel III.17

 

Elk lid van de Staten heeft het recht vragen te stellen aan de ministers en de staatssecretaris. De ministers en de staatssecretaris beantwoorden deze vragen binnen redelijke termijn, voor zover het beantwoorden daarvan niet strijdig geoordeeld kan worden met het belang van het Land of van het Koninkrijk.

 

                          Artikel III.18

 

1. De ministers hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslagingen deelnemen.

2. Zij kunnen door de Staten worden uitgenodigd om ter vergadering tegenwoordig te zijn ten einde de verlangde inlichtingen te geven, voor zover het geven daarvan niet strijdig geoordeeld kan worden met het belang van het Land of van het Koninkrijk.

3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.

 

                          Artikel III.19

 

De Staten hebben het recht van onderzoek, te regelen bij landsverordening.

 

                          Artikel III.20

 

De leden van de Staten, de ministers en ander personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

 

                          Artikel III.20

 

De Staten stellen het reglement van orde voor hun vergaderingen vast. Het wordt openbaar gemaakt op de voor landsverordeningen voorgeschreven wijze.

 

                          Artikel III.22

 

De Staten zijn bevoegd de belangen van Aruba voor te staan bij de regering van het Koninkrijk en bij de Staten‑Generaal.

 

                          Artikel III.23

 

De Staten onderzoeken de aan hen gerichte verzoekschriften.

 

Hoofdstuk IV: Raad van Advies, Algemene Rekenkamer en vaste colleges van advies

 

                           Artikel IV.1

 

1. De Raad van Advies wordt gehoord over:

a: alle ontwerpen van landsverordeningen en van landsbesluiten, houdende algemene maatregelen;

b: voorstellen tot goedkeuring als bedoeld in het tweede lid van artikel 24 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, van verdragen die Aruba raken;

c: ontwerpen van rijkswetten en van algemene maatregelen van rijksbestuur.

2. Het horen van de Raad kan achterwege blijven met betrekking tot de in het eerste lid, onder b en c, voorstellen en ontwerpen, indien daaromtrent tussen de regering en de Gevolmachtigde Minister geen overleg plaatsvindt of naar het oordeel van de regering om andere redenen het horen van de Raad bezwaarlijk is.

3. Onverminderd het bepaalde in het voorgaande lid, kan het horen van de Raad achterwege blijven in bij landsverordening te bepalen gevallen.

 

                           Artikel IV.2

 

1. De Raad van Advies bestaat uit vijf leden, de voorzitter daaronder begrepen.

2. De voorzitter en de overige leden worden bij landsbesluit benoemd, geschorst en ontslagen. Zij bekleden hun ambt niet langer dan zeven jaren, doch zijn terstond herbenoembaar.

3. De rechtspositie van de leden van de Raad van Advies wordt overigens bij landsverordening geregeld.

4. Een lid van de Raad van Advies kan niet tegelijk zijn:

a. Gouverneur;

b. vervanger van de Gouverneur;

c. lid van de Algemene Rekenkamer;

d. minister;

e. Gevolmachtigde Minister;

f. actief dienend ambtenaar;

g. lid van de rechterlijke macht;

h. procureur-generaal of advocaat-generaal bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie;

i. lid der Staten.

5. Met ambtenaar, bedoeld in het voorgaande lid, onder f, worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld zij die als werkman zijn aangesteld, en zij die in dienst van het landsbestuur op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn.

6. Bij landsverordening kan ten aanzien van andere betrekkingen worden bepaald, dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Raad van Advies kunnen worden uitgeoefend.

 

                           Artikel IV.3

 

1. De inrichting en bevoegdheid van de Raad van Advies worden bij landsverordening geregeld.

2. Bij landsverordening kunnen aan de Raad van Advies ook andere dan in dit hoofdstuk genoemde taken worden opgedragen.

 

                           Artikel IV.4

 

De leden van de Raad van Advies leggen, alvorens hun betrekkingen te aanvaarden, in handen van de Gouverneur de volgende eed (verklaring en belofte) af:

“Ik zweer (verklaar), dat ik, om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd enige beloften of geschenken zal aannemen, middellijk of onmiddellijk. Ik zweer (beloof), trouw aan de Koning en aan het Statuut voor het Koninkrijk; dat ik de Staatsregeling van Aruba steeds zal helpen onderhouden en het welzijn van Aruba naar mijn vermogen zal voorstaan. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig (Dat verklaar en beloof ik)!”

 

                           Artikel IV.5

 

De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek naar de doelmatigheid en rechtmatigheid van de ontvangsten en uitgaven

 

                           Artikel IV.6

 

1. De Algemene Rekenkamer bestaat uit 3 leden, de voorzitter daaronder begrepen.

2. De voorzitter en de overige leden worden bij landsbesluit voor het leven benoemd uit een voordracht van ten minste twee personen, opgemaakt door de Staten. De voordracht kan slechts worden vastgesteld met ten minste twee derden van het getal uitgebrachte stemmen.

3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij landsverordening te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.

4. In de gevallen, bij landsverordening aangewezen, kunnen zij door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie worden geschorst of ontslagen.

5. De rechtspositie van de leden van de Algemene Rekenkamer worden overigens bij landsverordening geregeld.

6. Het bepaalde in het vierde, vijfde en zesde lid van artikel IV.2 is van overeenkomstige toepassing op de leden van de Algemene Rekenkamer.

 

 

                           Artikel IV.7

 

1. De inrichting en bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer worden bij landsverordening geregeld.

2. Bij landsverordening kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook andere dan in dit hoofdstuk genoemde taken worden opgedragen.

 

                           Artikel IV.8

 

De leden van de Algemene Rekenkamer leggen voor de ambtsaanvaarding in handen van de Gouverneur de volgende eed (verklaring en belofte) af:


“Ik zweer (verklaar), dat ik, om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd enige beloften of geschenken zal aannemen, middellijk of onmiddellijk. Ik zweer (beloof), trouw aan de Koning en aan het Statuut voor het Koninkrijk; dat ik de Staatsregeling van Aruba steeds zal helpen onderhouden en het welzijn van Aruba naar mijn vermogen zal voorstaan. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig (Dat verklaar en beloof ik)!”

 

                           Artikel IV.9

 

1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur worden ingesteld bij landsverordening.

2. Bij landsverordening worden de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges geregeld.

3. Bij of krachtens landsverordening kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.

 

 

 

                          Artikel IV.10

 

1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges zijn openbaar, voor zover niet strijdig met het belang van het Land of dat van het Koninkrijk.

2. Bij landsverordening kan worden bepaald, dat andere belangen dan het belang van het Land en dat van het Koninkrijk openbaarmaking kunnen verhinderen van de in voorgaande lid bedoelde adviezen.

3. Adviezen, uitgebracht ter zake van ontwerp-landsverordening die door de regering worden ingediend, worden aan de Staten overgelegd, voor zover deze overlegging niet strijdig is met het belang van het Land, dat van het Koninkrijk of andere bij landsverordening als zodanig aan te wijzen belangen.

 

                Hoofdstuk V: Wetgeving en Bestuur

 

                           Artikel V.1

 

De vaststelling van landsverordeningen geschiedt door de regering en de Staten gezamenlijk.

 

                           Artikel V.2

 

De bekrachtiging van ontwerp-landsverordeningen geschiedt door de regering na verkregen goedkeuring of op voordracht van de Staten. Zij verkrijgen daardoor kracht van landsverordening.

 

                           Artikel V.3

 

De regering dient ontwerp‑landsverordeningen ter goedkeuring bij de Staten in.

 

                           Artikel V.4

 

1. De Staten hebben het recht ontwerp‑landsverordeningen aan de regering voor te dragen.

2. Ontwerp‑landsverordeningen door de Staten voor te dragen worden bij hen aanhangig gemaakt door een of meer leden.

 

                           Artikel V.5

 

1. Zolang een ontwerp‑landsverordening, ingediend door de regering, niet door de Staten is goedgekeurd, kan deze door hen, op voorstel van een of meer leden, en door de regering worden gewijzigd.

2. Zolang de Staten nog niet hebben besloten tot voordracht van een ontwerp‑landsverordening, kan deze door hen, op voorstel van een of meer leden, en door het lid of leden door wie deze aanhangig gemaakt is, worden gewijzigd.

 

                           Artikel V.6

 

1. Zolang een ontwerp‑landsverordening, ingediend door de regering, niet door de Staten is goedgekeurd, kan deze door de regering worden ingetrokken.

2. Zolang de Staten nog niet hebben besloten tot voordracht van een ontwerp‑landsverordening, kan deze door het lid of de leden door wie deze aanhangig gemaakt is, worden ingetrokken.

 

                           Artikel V.7

 

1. De regering en de Staten geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enige ontwerp‑landsverordening.

2. Indiening, intrekking en bekrachtiging van ontwerp‑landsverordeningen door de regering geschieden door tussenkomst van de Gouverneur.

 

                           Artikel V.8

 

Bij landsverordening worden de bekendmaking en de inwerkingtreding van landsverordeningen geregeld. Zij treden niet in werking, voordat zij zijn bekendgemaakt.

 

                           Artikel V.9

 

1. Door de regering worden landsbesluiten, houdende algemene maatregelen, vastgesteld.

2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens landsverordening. De landsverordening bepaalt de op te leggen straffen.

3. Artikel V.8 is van overeenkomstige toepassing op landsbesluiten, houdende algemene maatregelen.

4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op ministeriële regelingen.

 

                           Artikel V.10

 

1. Bij landsverordeningen kunnen openbare lichamen ter behartiging van bepaalde belangen worden ingesteld en opgeheven.


2. De landsverordening regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en de bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij landsverordening kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

3. De landsverordening regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

 

                           Artikel V.11

 

1. Belastingen worden geheven uit kracht van een landsverordening.

2. De Staten kunnen een zodanige ontwerp-landsverordening niet goedkeuren of niet besluiten tot voordracht van een zodanige ontwerp-landsverordening dan met volstrekte meerderheid der stemmen van het aantal zitting hebbende leden.

3. Andere heffingen worden bij landsverordening geregeld.

 

                           Artikel V.12

 

1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Land wordt bij landsverordening vastgesteld.

2. De begroting wordt jaarlijks in een of meer ontwerpen door de regering aan de Staten uiterlijk op de eerste september aangeboden.

3. Bij landsverordening kan worden bepaald, dat de begroting voor een langer tijdperk dan 1 jaar wordt vastgesteld. Dit tijdperk mag niet langer zijn dan twee jaar.

4. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Land wordt aan de Staten gedaan overeenkomstig de bepalingen van de landsverordening. De door de Algemene Rekenkamer onderzochte rekening wordt jaarlijks aan de Staten overgelegd.

5. Bij landsverordening worden regels gesteld omtrent het beheer van de financiën van het Land.

 

                           Artikel V.13

 

Bij landsverordening worden regels gesteld ten einde de rechtmatigheid van het bestuur en de deugdelijkheid van het financieel beheer te waarborgen.

 

                           Artikel V.14

 

1. Het aangaan of garanderen van een geldlening ten name of ten laste van het land geschiedt niet dan krachtens landsverordening.

2. De Staten kunnen een zodanige ontwerp-landsverordening niet goedkeuren of niet besluiten tot voordracht van een zodanige ontwerp-landsverordening dan met volstrekte meerderheid der stemmen van het aantal zitting hebbende leden.

 

 

 

                           Artikel V.15

 

1. Bij landsverordening wordt het geldstelsel geregeld.

2. De Staten kunnen een zodanige ontwerp-landsverordening niet goedkeuren of niet besluiten tot voordracht van een zodanige ontwerp-landsverordening dan met twee derden der stemmen van het aantal zitting hebbende leden.

 

                           Artikel V.16

 

Bij landsverordening worden het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk- en strafprocesrecht in wetboeken geregeld, behoudens de bevoegdheid tot regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke landsverordeningen.

 

                           Artikel V.17

 

Bij landsverordening worden algemene regels van bestuursrecht vastgesteld.

 

                           Artikel V.18

 

De rechtspositie van de ambtenaren en werklieden wordt bij landsverordening geregeld.

 

                           Artikel V.19

 

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid, voor zover dit niet strijdig is te achten met het belang van het Land en met dat van het Koninkrijk, en voor zover gerechtvaardigde belangen van derden daardoor niet onevenredig worden geschaad. Bij landsverordening worden ter zake nadere regels gesteld.

 

                           Artikel V.20

 

Bij landsbesluit kan volgens regels, bij landsverordening te stellen, vergunning worden verleend voor mijnbouwondernemingen, voor ondernemingen van openbaar nut en voor de aanleg van werken ten behoeve van deze ondernemingen.

 

                           Artikel V.21

 

Bij landsverordening wordt het beheer der domaniale gronden en andere domaniale rechten geregeld.

 

 

 

                           Artikel V.22

 

1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van aanhoudende zorg der overheid.

2. Bij landsverordening worden regels gesteld omtrent de rechtspositie van werknemers en omtrent hun bescherming daarbij.

 

                           Artikel V.23

 

1. De regering treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.

2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der regering.

3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.

 

                           Artikel V.24

 

Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien en voldoen aan de bij landsverordening te stellen vereisten, hebben een bij die landsverordening te regelen recht op bijstand van overheidswege.

 

                           Artikel V.25

 

1. Aan alle kerkgenootschappen en godsdienstige gemeenschappen wordt gelijke bescherming verleend.

2. Bijdragen uit enige openbare kas aan kerkgenootschappen en godsdienstige gemeenschappen, met inbegrip van bijdragen aan hun bedienaren en leraren, worden verleend op grondslag van gelijkgerechtigheid en volgens regels bij landsverordening te stellen.

 

                           Artikel V.26

 

Gratie wordt verleend bij landsbesluit na ingewonnen bericht van de rechter door wie het vonnis is gewezen, met inachtneming van bij of krachtens landsverordening te stellen voorschriften.

 

                          Artikel V. 27

 

1. Personen die woonachtig zijn in Aruba, kunnen niet dan bij landsverordening tot dienst in de krijgsmacht, dan wel tot burgerdienstplicht worden verplicht.

2. De dienstplichtigen, dienende bij de landmacht, kunnen zonder hun toestemming niet dan ingevolge een landsverordening naar elders worden gezonden.

 

                          Artikel V. 28

 

In geval van buitengewone omstandigheden kan bij landsbesluit worden bepaald, dat in Aruba woonachtige dienstplichtigen buitengewoon in werkelijke dienst worden gehouden of geroepen. Alsdan wordt onverwijld een voorstel van landsverordening bij de Staten ingediend om het in werkelijk dienst blijven van dienstplichtigen zoveel nodig te bepalen.

 

                           Artikel V.29

 

1. Bij landsverordening wordt bepaald, in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij landsbesluit een door de landsverordening als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.


2. Daarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in de artikelen I.8, I.11, I.12, I.13, I.15, voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, I.17, eerste lid, voor zover dit het vereiste van een bijzondere schriftelijke machtiging van de rechter betreft, I.17, tweede lid, I.18 en I.19, eerste lid.

3. Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij landsbesluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen, beslissen de Staten omtrent het voortduren daarvan.

 

      Hoofdstuk VI: Het rechtswezen en de rechterlijke macht

 

                           Artikel VI.1

 

Er wordt in Aruba recht gesproken in naam des Konings.

 

                           Artikel VI.2

 

1. De rechterlijke macht wordt alleen uitgeoefend door de rechter die lid zijn van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

2. Elke tussenkomst in rechtszaken is verboden.

 

                           Artikel VI.3

 

1. Aan de rechterlijke macht behoort bij uitsluiting de kennisneming van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.

2. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.

3. Bij landsverordening kan de kennisneming van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, worden opgedragen aan de rechterlijke macht of aan bijzondere rechtscolleges, waarin leden van de rechterlijke macht mede zitting hebben.

4. Van geschillen over het kiesrecht en andere grondrechten, over de rechtstoestand van ambtenaren en over heffing en invordering van belastingen neemt de rechterlijke macht kennis, wanneer de kennisneming daarvan niet bij landsverordening aan een ander gerecht is opgedragen. Indien de wijze van berechting van deze geschillen door de rechterlijke macht niet bij landsverordening nader bepaald is, worden de voor de berechting van geschillen van burgerrechtelijke aard geldende regelen zoveel mogelijk toegepast.

 

                           Artikel VI.4

 

De rechter treedt, behoudens het bepaalde in artikel I.22, niet in de beoordeling van de verenigbaarheid van landsverordeningen met de Staatsregeling.

 

                           Artikel VI.5

 

1. De terechtzittingen vinden in het openbaar plaats, behoudens uitzonderingen te stellen bij landsverordening.

2. De vonnissen en beschikkingen bevatten de gronden waarop zij zijn gewezen of uitgevaardigd, en, in strafzaken, de aanwijzing van de artikelen der wettelijke regelingen waarop de veroordeling berust.

3. De uitspraak van de vonnissen geschiedt in het openbaar.

 

                           Artikel VI.6

 

Vonnissen en beschikkingen, door een rechter die de rechterlijke macht uitoefent, gewezen of uitgevaardigd in de Nederlandse Antillen kunnen in Aruba worden ten uitvoer gelegd, volgens bij landsverordening vastgestelde regels.

 

                           Artikel VI.7

 

1. Er is een Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba.

2. Het Hof heeft zitting in Aruba.

 

                           Artikel VI.8

 

1. Aan het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is een griffie verbonden.

2. De griffier wordt benoemd en ontslagen door de Ministeriële Samenwerkingsraad op voordracht van de president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

3. De rechtspositie van de griffier wordt overigens bij landsverordening geregeld.

 

                           Artikel VI.9

 

1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie oordeelt in hoger beroep over de vonnissen en beschikkingen van de gerechten in eerste aanleg en is belast met het toezicht op de geregelde afdoening van alle rechtsgedingen en de behoorlijke vervolging van strafbare feiten.

2. Het Hof treedt op als rechter in eerste aanleg in de gevallen, bij landsverordening bepaald.

3. Het Hof vervult voorts de taken, hem bij rijkswet, algemene maatregel van rijksbestuur of landsverordening opgedragen.

 

                          Artikel VI.10

 

1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie bestaat uit een president die tevens lid is, en overige leden; zo nodig worden plaatsvervangende leden in het hof benoemd.

2. De president en de overige leden van het Hof worden door de Koning voor het leven benoemd.

3. De plaatsvervangende leden van het Hof worden op een daartoestrekkende schriftelijke aanbevelingen van het Hof door de Koning benoemd. De benoeming kan voor bepaalde tijd geschieden, doch ten minste voor drie jaar.

 

                          Artikel VI.11

 

1. Wanneer een plaats van president of lid in het Gemeenschappelijk Hof van Justitie openvalt, zendt het Hof, het Openbaar Ministerie bij het Hof daaronder begrepen, een bij volstrekte meerderheid van stemmen opgemaakte aanbevelingslijst, bevattende de namen van drie kandidaten, aan de Ministeriële Samenwerkingsraad.


2. De Ministeriële Samenwerkingsraad stelt op zijn beurt een aanbevelingslijst op en doet deze toekomen aan de regering ten einde deze aan de Koning aan te bieden. Bij het opstellen van de aanbevelingslijst neemt de Ministeriële Samenwerkingsraad de aanbeveling van het Hof zoveel mogelijk in acht.

3. Indien de Ministeriele Samenwerkingsraad voornemens is af te wijken van de aanbeveling van het Hof, wint hij daaromtrent, alvorens die lijst aan de regering te zenden, het gevoelen van het Hof in. Het gevoelen van het Hof, alsmede de aanbeveling van het Hof worden bij de door de Ministeriele Samenwerkingsraad opgemaakte aanbevelingslijst gevoegd. De Ministeriële Samenwerkingsraad motiveert, waarom hij is afgeweken van de aanbeveling van het Hof.

 

                          Artikel VI.12

 

De rechtspositie van de president en de overige leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie wordt overigens bij landsverordening onder goedkeuring van de Koning geregeld.

 

                          Artikel VI.13

 

1. De plaatsvervangende leden van het Hof worden door de Koning ontslagen op de gronden, genoemd in artikel VI.15, eerste lid, onder 2 en 3. Het tweede en het derde lid van artikel VI.15 zijn van overeenkomstige toepassing.

2. Het plaatsvervangend lid van het Hof kan op zijn verzoek door de Koning ontslag worden verleend.

 

                          Artikel VI.14

 

1. De president en de overige leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, de procureur‑generaal en de advocaten-generaal moeten bij de benoeming de volle ouderdom van dertig jaren hebben bereikt en aan een bij landsverordening aan te wijzen universiteit of hogeschool hebben verkregen hetzij de graad van doctor in de rechtsgeleerdheid, hetzij de hoedanigheid van meester in de rechten, mits deze graad of deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen van een examen in de vakken, bij landsverordening te bepalen.

2. De in het voorgaande lid gestelde vereisten zijn niet van toepassing op degenen die in het bezit zijn van een getuigschrift als bedoeld in artikel 3 van de Advocatenverordening, en die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Samenwerkingsregeling Nederlandse Antillen en Aruba plaatsvervangende leden zijn van het Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen.

 

                          Artikel VI.15

 

1. De president en de overige leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie worden door de Koning ontslagen:

1°  wanneer zij de leeftijd van vijfenzestig jaren hebben bereikt;

2°  indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt zijn om hun functies te vervullen;

3°  bij het verlies van het Nederlanderschap.

2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ontslag eervol verleend.

3. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onder 2°, wordt voor de aanspraak op pensioen geen nader bewijs van de oorzaak der ongeschiktheid gevorderd.

 

                          Artikel VI.16

 

1. Wanneer de Ministeriële Samenwerkingsraad van oordeel is, dat een der redenen van ontslag, in het eerste lid, onder 2°, van het voorgaande artikel vermeld, aanwezig is, verzoekt hij aan de regering het ontslag van de betrokken ambtenaar aan de Koning voor te dragen. De regering voldoet aan dit verzoek.

2. De Ministeriële Samenwerkingsraad deelt aan de betrokken ambtenaar zijn voornemens om een dergelijk verzoek te doen onmiddellijk mede en stelt hem in de gelegenheid om een verweerschrift ter toezending aan de Koning bij hem in te dienen.

3. Alle op de zaak betrekking hebbende stukken worden door de Ministeriële Samenwerkingsraad te zamen met het verzoek aan de regering ter doorgeleiding aan de Koning toegezonden.

4. De Ministeriële Samenwerkingsraad is bevoegd de betrokken ambtenaar in afwachting van ’s Konings beslissing te schorsen en in de waarneming van het ambt tijdelijk te voorzien.

5. De betrokken ambtenaar blijft gedurende de schorsing in het genot van zijn volle bezoldiging.

6. Hij kan op zijn verzoek in de gelegenheid worden gesteld om zich in Nederland te gaan verantwoorden; daartoe worden hem een verloftraktement en vrije overtocht toegekend.

7. De Koning beslist over het ontslag.

 

                          Artikel VI.17

 

1. De president en de overige leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie kunnen door de Hoge Raad der Nederlanden worden ontslagen:

1°. wanneer zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld, dan wel bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd, die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;

2°. wanneer zij bij onherroepelijk geworden