Constitucion (Staatsregeling) Aruba
Staatsregeling van Aruba
Citeertitel: Staatsregeling van Aruba
Vindplaats : AB 1987 no. GT 1
Wijzigingen: Geen
====================================================================
Hoofdstuk I: Grondrechten
Allen die zich in Aruba bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, kleur, taal, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, of op welke grond dan ook is niet toegestaan.
Artikel I.2
Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.
Artikel I.3
Een ieder heeft, behoudens bij of krachtens landsverordening te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.
Artikel I.4
De doodstraf kan niet worden opgelegd.
Artikel I.5
1. Een ieder heeft op persoonlijk vrijheid en veiligheid. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, dan volgens bij of krachtens landsverordening te stellen regels in geval van:
a. rechtmatige gevangenishouding na veroordeling door een daartoe bevoegde rechters;
b. rechtmatige arrestatie of gevangenishouding, wegens weigering een overeenkomstig een wettelijke regeling door een rechter gegeven bevel op te volgen of ten einde de nakoming van een door een wettelijke regeling voorgeschreven uitdrukkelijke verplichting te verzekeren;
c. rechtmatige arrestatie of gevangenhouding teneinde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer er redelijke gronden zijn om te vermoeden, dat hij een strafbaar feit heeft begaan, of indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen, dat het noodzakelijk is hem te beletten:
‑ een strafbaar feit te begaan;
‑ te ontvluchten, nadat hij een strafbaar feit heeft begaan;
‑ het strafrechtelijk onderzoek in gevaar te brengen;
d. rechtmatige gevangenishouding van een minderjarige met het doel in te grijpen in zijn opvoeding of, in het geval van zijn rechtmatige gevangenhouding, ten einde hem voor het bevoegde gezag te geleiden;
f. rechtmatige gevangenhouding van personen ten einde hen te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of indien tegen hen een uitwijzigings‑ of uitleveringsprocedure hangende is.
2. Een ieder, die gearresteerd is of gevangen wordt gehouden, overeenkomstig lid 1, onder c, van dit artikel, moet onverwijld voor een rechter worden geleid of voor een andere autoriteit die bij landsverordening bevoegd verklaard is om rechterlijke macht uit te oefenen, en heeft het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden, of hangende het proces, in vrijheid te worden gesteld.
3. Een ieder die zijn vrijheid is ontnomen, heeft het recht:
a. voorziening te vragen bij de rechter, opdat deze op korte termijn beslist over de rechtmatigheid van zijn vrijheidsontneming en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de vrijheidsontneming onrechtmatig is;
b. onverwijld in een taal welke hij verstaat, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van zijn vrijheidsontneming, van zijn recht om zich te onthouden van antwoorden en van zijn bevoegdheid zich te doen bijstaan door een advocaat.
4. Een ieder die het slachtoffer is geweest van een vrijheidsontneming in strijd met de bepalingen van dit artikel, heeft recht op schadeloosstelling.
5. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten, voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdragen.
Artikel I.6
1. Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.
2. Een ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, wordt voor onschuldig gehouden, totdat zijn schuld volgens de landsverordening bewezen wordt.
3. Een ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft de volgende rechten:
a. onverwijld in een taal welke hij verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen, van zijn recht om zich te onthouden van antwoorden en van zijn bevoegdheid zich te doen bijstaan door een advocaat;
b. te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten ter voorbereiding van zijn verdediging;
c. zich zelf te verdedigen;
d. de getuigen à charge te ondervragen of doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à decharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuige à charge.
Artikel I.7
1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
2. Bij landsverordening worden regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen gesteld.
Artikel I.8
Een ieder die zich rechtmatig op het grondgebied van Aruba bevindt, heeft het recht zich daar vrijelijk te bewegen, te verblijven en zijn woonstede te kiezen, behoudens bij of krachtens landsverordening te stellen beperkingen.
Artikel I.9
Bij landsverordening wordt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen geregeld.
Artikel I.10
Iedere in Aruba woonachtige Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen, alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij landsverordening gestelde uitzonderingen.
Artikel I.11
Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij landsverordening kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.
Artikel I.12
1. Ieder heeft het recht zonder voorafgaand verlof door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren of inlichtingen door te geven, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens landsverordening.
2. Bij landsverordening kunnen radio‑ of televisieuitzendingen aan vergunningen worden onderworpen in het belang van een verantwoord gebruik van de ether of in het belang van een pluriforme omroep. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio‑ of televisieuitzending.
3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens of het doorgeven van inlichtingen door andere dan in de voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens landsverordening. Bij landsverordening kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar, ter bescherming van de goede zeden worden geregeld.
4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.
5. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om inlichtingen te garen of te ontvangen, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens landsverordening. Bij of krachtens landsverordening kan het recht om inlichtingen te garen worden beperkt.
Artikel I.13
1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens landsverordening.
2. Bij landsverordening kan dit recht beperkt worden ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
Artikel I.14
1. Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.
2. Personen die niet schrijven kunnen, mogen verzoekschriften indienen door tussenkomst van ambtenaren die hiertoe bij landsverordening bevoegd zijn verklaard.
Artikel I.15
1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens landsverordening.
2. Bij landsverordening kan de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen worden beperkt ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
Artikel I.16
1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens landsverordening te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
2. Bij landsverordening worden regels gesteld ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
3. Bij landsverordening worden regels gesteld inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgestelde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.
Artikel I.17
1. Het binnentreden in een woning zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen, bij landsverordening bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens landsverordening zijn aangewezen, en tevens met een bijzondere schriftelijke machtiging daartoe van een rechterlijke autoriteit.
2. Voor het binnentreden overeenkomstig het voorgaande lid is voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist. Aan de bewoner wordt binnen 2 x 24 uur een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Aan de bewoner wordt onmiddellijk een afschrift van de machtiging verstrekt.
3. Bij landsverordening kunnen op het bepaalde in het eerste lid over de machtiging en op het bepaalde in het tweede lid uitzonderingen worden gemaakt.
Artikel I.18
1. Het briefgeheim is onschendbaar behalve, in de gevallen bij landsverordening bepaald, door of met machtiging van de rechter.
2. Het telefoon‑ en telegraafgeheim is onschendbaar behalve, in de gevallen bij landsverordening bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij landsverordening zijn aangewezen.
Artikel I.19
1. Een ieder heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom, behoudens bij of krachtens landsverordening in het algemeen belang te stellen beperkingen.
2. Aan niemand kan zijn eigendom worden ontnomen, dan nadat bij landsverordening verklaard is, dat het algemeen nut de onteigening vordert, en tegen vooraf genoten of vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens landsverordening te stellen voorschriften.
3. Wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is, vervalt de in het vorige lid gestelde eis, dat vooraf bij landsverordening verklaard wordt, dat het algemeen nut de onteigening vordert en behoeft evenmin de schadeloosstelling vooraf genoten of vooraf verzekerd te zijn.
4. In de gevallen bij landsverordening bepaald, bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.
Artikel I.20
1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij landsverordening aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij landsverordening te regelen.
3. Het ontvangen van onderwijs is vrij, behoudens bij landsverordening te stellen beperkingen.
4. Het openbaar onderwijs wordt met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging bij landsverordening geregeld.
5. Er wordt van overheidswege voldoende openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal scholen. Volgens bij landsverordening te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van openbaar algemeen vormend lager onderwijs gelegenheid wordt gegeven.
6. De eisen van deugdelijkheid en toelating, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij landsverordening geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting, met dien verstande dat eisen van toelating niet gesteld kunnen worden aan het algemeen vormend lager onderwijs. Bij die landsverordening wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs, betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers, geëerbiedigd.
7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs dat aan de bij landsverordening te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. Bij landsverordening worden de voorwaarden vastgesteld, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
8. Bij landsverordening worden regels gesteld omtrent de medezeggenschap van hen die geheel of gedeeltelijk uit de openbare kas bekostigd onderwijs ontvangen, en hun wettelijke vertegenwoordigers.
9. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten.
Artikel I.21
De Staten kunnen een ontwerp‑landsverordening, inhoudende beperkingen van de in dit hoofdstuk genoemde grondrechten, niet goedkeuren of niet besluiten tot voordracht van een zodanige ontwerplandsverordening dan met volstrekte meerderheid der stemmen van het aantal zitting hebbende leden.
Artikel I.22
Wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar zou zijn met de bepalingen van dit hoofdstuk.
Hoofdstuk II: Regering
Artikel II.1
1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.
2. De Koning wordt vertegenwoordigd door de Gouverneur.
3. De ministers zijn verantwoordelijk aan de Staten.
Artikel II.2
1. De minister‑president en de overige ministers worden in overleg met de Staten bij landsbesluit benoemd en ontslagen.
2. Indien een minister het vertrouwen van de Staten niet langer heeft, stelt hij zijn ambt ter beschikking.
Artikel II.3
1. De ministers moeten de leeftijd van 25 jaren hebben vervuld, de staat van Nederlander bezitten en niet uitgesloten zijn van het kiesrecht.
2. Zij kunnen niet tegelijk zijn:
a. Gouverneur;
b. vervanger van de Gouverneur;
c. lid van de Raad van Advies;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Gevolmachtigde Minister;
f. actief dienend ambtenaar;
g. lid van de Staten;
h. lid van de rechterlijke macht;
i. procureur‑generaal of advocaat‑generaal bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
3. Onverminderd het bepaalde in het voorgaande lid, onder g, kan een minister, tot lid van de Staten gekozen, ten hoogste drie maanden na zijn toelating als lid het ambt van minister en het lidmaatschap van de Staten verenigen.
4. Met ambtenaar, bedoeld in het tweede lid, onder f, worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld zij die als werkman zijn aangesteld, en zij die in dienst van het landsbestuur op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn.
Artikel II.4
Bloedverwantschap tot en met de tweede graad mag niet bestaan tussen de ministers. Echtgenoten kunnen niet tegelijkertijd minister zijn.
Artikel II.5
Bij landsverordening worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.
Artikel II.6
1. De ministers vormen tezamen de ministerraad.
2. De ministerraad bestaat uit ten hoogste negen ministers.
3. De minister‑president is voorzitter van de ministerraad.
4. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid ten einde de eenheid van dat beleid te bevorderen.
5. Indien de Gouverneur een vergadering van de ministerraad bijwoont, treedt hij op als voorzitter. Hij heeft alsdan een raadgevende stem.
6. Het reglement van orde voor de ministerraad wordt vastgesteld bij landsbesluit. Het behoeft goedkeuring bij landsverordening.
Artikel II.7
1. Landsverordeningen en landsbesluiten worden door de Gouverneur en door een of meer ministers ondertekend.
2. Het landsbesluit waarbij de aftredende minister‑president wordt ontslagen, en waarbij tevens zijn opvolger wordt benoemd, wordt mede door de laatstgenoemde ondertekend. De landsbesluiten waarbij de overige ministers worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister‑president ondertekend.
Artikel II.8
De ministers leggen, alvorens hun betrekking te aanvaarden, in handen van de Gouverneur de volgende eed (verklaring en belofte) af:
“Ik zweer (verklaar), dat ik, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of wat voorwendsel ook, in verband met het verkrijgen mijner benoeming als minister aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven. Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd enige beloften of geschenken aannemen zal, middellijk of onmiddellijk. Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning en aan het Statuut voor het Koninkrijk; dat ik de Staatsregeling van Aruba steeds zal helpen onderhouden en het welzijn van Aruba naar mijn vermogen zal voorstaan. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig (Dat verklaar en beloof ik)”!
Artikel II.9
De bezoldiging, het pensioen, alsmede overige geldelijke voorzieningen van de ministers en de Gevolmachigde Minister worden bij landsverordening geregeld.
Artikel II. 10
1. De Gevolmachtigde Minister kan niet tegelijk zijn:
a. Gouverneur;
b. vervanger van de Gouverneur;
c. lid van de Raad van Advies;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. actief dienend ambtenaar;
f. lid van de Staten;
g. lid van de rechterlijke macht;
h. procureur‑generaal of advocaat‑generaal bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie;
i. minister.
2. Onverminderd het bepaalde in het voorgaande lid, onder f, kan een Gevolmachtigde Minister, tot lid van de Staten gekozen, ten hoogste drie maanden na zijn toelating als lid het ambt van Gevolmachtigde Minister en het lidmaatschap van de Staten verenigen.
3. De voorgaande leden zijn mede van toepassing op de plaatsvervanger van de Gevolmachtigde Minister.
4. De Gevolmachtigde Minister wordt, indien hij in Aruba aanwezig is, in de gelegenheid gesteld de beraadslagingen van de ministerraad ten aanzien van onderwerpen welke tot zijn bemoeienis behoren, bij te wonen. Hij heeft alsdan een raadgevende stem.
Hoofdstuk III: Staten
Artikel III.1
De Staten vertegenwoordigen het gehele Arubaanse volk.
Artikel III.2
De Staten bestaan uit 21 leden.
Artikel III.3
1. De zittingsduur van de Staten is vier jaren.
2. Het zittingsjaar vangt aan op de tweede dinsdag van september met een uiteenzetting, door of namens de Gouverneur, van het door de regering te voeren beleid in een daartoe belegde vergadering van de Staten.
Artikel III.4
1. De leden van de Staten worden gekozen op grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de landsverordening te stellen grenzen.
2. De verkiezingen zijn vrij en worden gehouden bij geheime stemming.
Artikel III.5
1. De leden van de Staten worden rechtsreeks gekozen door de ingezetenen van Aruba, die Nederlander zijn en de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt.
2. Van het kiesrecht is uitgesloten:
a. hij die wegens het begaan van een daartoe bij de landsverordening aangewezen delict bij onherroepelijk rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar, en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht;
b. hij die krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens een geestelijke stoornis onbekwaam is rechtshandelingen te verrichten.
Artikel III.6
1. Om lid van de Staten te kunnen zijn is vereist, dat men ingezetene van Aruba en Nederlander is, de leeftijd van eenentwintig jaren heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.
2. Een lid van de Staten kan te allen tijde zijn ontslag nemen door middel van een schriftelijke mededeling aan de regering.
3. Het lidmaatschap der Staten vervalt in ieder geval door een verblijf buiten het land van langer dan acht maanden.
Artikel III.7
1. De leden van de Staten kunnen niet tegelijk zijn:
a. Gouverneur;
b. vervanger van de Gouverneur;
c. lid van de Raad van Advies;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. minister;
f. Gevolmachtigde Minister;
g. actief dienend ambtenaar;
h. lid van de rechterlijke macht;
i. procureur‑generaal of advocaat‑generaal bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
2. De landsverordening kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen bepalen, dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten kunnen worden uitgeoefend.
3. De Staten kunnen een zodanige ontwerp‑landsverordening niet goedkeuren of niet besluiten tot voordracht van een zodanige ontwerp-landsverordening dan met twee derden der uitgebrachte stemmen.
Artikel III.8
1. Bloedverwantschap tot en met de tweede graad mag niet bestaan tussen de leden van de Staten. Echtgenoten kunnen niet tegelijkertijd lid van de Staten zijn.
2. Wanneer personen die verkeren in een der gevallen, bedoeld in het eerste lid, tegelijkertijd gekozen worden, wordt alleen toegelaten hij die de meeste stemmen verkreeg, en bij gelijk aantal stemmen de oudste. Indien in laatstbedoeld geval ook de leeftijden gelijk zijn, beslist het lot.
3. Hij die na zin verkiezing komt te verkeren in het geval, bedoeld in de tweede zin van het eerste lid, kan op die grond niet verplicht worden af te treden voor de afloop van zijn tijd van zitting.
Artikel III.9
De Staten onderzoeken de geloofsbrieven van hun nieuwbenoemde leden en beslissen met inachtneming van bij landsverordening te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.
Artikel III.10
1. Alles wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij landsverordening geregeld.
2. Bij landsverordening worden regels gesteld ter bevordering van een evenwichtige en verantwoord verkiezingsverloop.
Artikel III.11
De leden der Staten leggen, alvorens hun betrekking te aanvaarden, in handen van de Gouverneur de volgende eed (verklaring en belofte) af:
“Ik zweer (verklaar), dat ik, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of wat voorwendsel ook, in verband met mijn verkiezing tot lid der Staten, aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven. Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd enige beloften of geschenken zal aannemen, middellijk of onmiddellijk. Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning en aan het Statuut voor het Koninkrijk; dat ik de Staatsregeling van Aruba steeds zal helpen onderhouden en het welzijn van Aruba naar mijn vermogen zal voorstaan. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig (Dat verklaar en beloof ik)!”
Artikel III.12
1. Op een voor ieder afzonderlijk door de Staten in te dienen voordracht van twee leden worden bij landsbesluit de voorzitter en de ondervoorzitter van de Staten benoemd.
2. Zolang zodanige benoeming nog niet heeft plaatsgevonden, treedt als voorzitter op de voor de voorafgaande periode benoemde voorzitter of ondervoorzitter, indien deze deel uitmaakt van de nieuwe Staten, dan wel, bij ontstentenis van zodanige persoon, het lid der nieuwe Staten, dat onder de leden die het langst zitting hebben gehad in het college, het oudste lid is in jaren. Als ook zodanige persoon mocht ontbreken, treedt het oudste lid in jaren als voorzitter op.
3. De Staten benoemen, schorsen en ontslaan hun griffier. Deze kan niet tevens lid van de Staten zijn.
4. Aan de griffier wordt het vereiste aantal ambtenaren in de nodige rangen toegevoegd. Zij kunnen niet tevens lid van de Staten zijn.
Artikel III.13
De bezoldiging, het pensioen, alsmede overige geldelijke voorzieningen van de leden van de Staten worden bij landsverordening geregeld. De Staten kunnen een ontwerp‑landsverordening ter zake alleen goedkeuren met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.
Artikel III.14
1. De Staten kunnen bij landsbesluit worden ontbonden.
2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden Staten en tot het samenkomen van de nieuw gekozen Staten binnen drie maanden.